Bombyx mori

B O M B Y X  M O R I 

D i e t s k e   G e e r l i n g s

  • Titel dia

    Schrijf uw onderschrift hier
    Knop
  • Titel dia

    Schrijf uw onderschrift hier
    Knop

Paperback, 154 pagina's.

Omslag Dietske Geerlings.

Prijs €23,50.

Binnenkort verkrijgbaar bij de boekhandel of via onderstaande knop.

Als e-book kosteloos te downloaden bij het tabblad e-books.



Bestellen

EEN OPMERKELIJK POËTISCHE EN KUNSTIGE NOVELLE

'Bombyx Mori' vind ik een mooi voorbeeld van zuivere kunst. Want ik ken weinig novellen waarin zoveel (vaak cryptische) citaten van (soms duistere) dichters als raadselachtige motto’s dienen, waarin zulke verschillende typografische vormen worden gebruikt, waarin de woorden soms zo verbrokkeld dwarrelen over de pagina, en waarin het oningevulde wit tussen de regels zo dominant is.


[...]


Daarnaast had ik associaties met dichters die gedichten weven over die raadsels, gedichten die teer en fragiel zijn als zijden draden. Of met de schrijfster van Bombyx Mori, die de wevende Lott omwikkelt met de fragiele draden van haar novelle. Misschien is die laatste associatie geforceerd. Maar hij past bij het tastende karakter van Bombyx Mori. En bij de subtitel Of de eerste uren van de schepping. Want in die “eerste uren” is alles nog ongedefinieerd. En deze novelle gaat over ongedefinieerde ervaringen, die vooraf gaan aan onze taal. Of over woorden die een eerste schepping zijn, omdat ze tasten naar iets wat nog niet is verwoord.



NICO VAN DER SIJDE (BOEKENKRANT)

Lees recensie
quotesArtboard 1 copy 2

“Bombyx Mori” is een haast surreël achteromkijken teneinde de dingen te (be)vatten. Alsof de vlinder reflecteert over zijn verleden als rups. Het verborgene in de cocon. Een relaas in meerdere lagen en psychen, over autisme. De dood is tastbaar aanwezig in deze koortsdroom. De trein hapert niet, je wil meer, langer vertoeven in dit universum zonder voorgaande dat Dietske Geerlings neervlijt op het papier met een tederheid zoals enkel een moeder dat kan.

JOHAN CRIJNS (JCR.LECTORIS)

quotesArtboard 1 copy 2

TOCH IS ER IETS ANDERS STERKER DAN DE PANIEK, ALSOF HAAR BREIN EEN PROTOCOL HEEFT KLAARLIGGEN EN ALLE RUIMTE GEEFT AAN IEDERE GEDACHTE EN IEDERE HANDELING AFZONDERLIJK, LOS VAN ALLES EN IEDEREEN, WEGGESLINGERD UIT DE TIJD .

PROLOOG | Ooit moeten de zeven huizen van de Havendwars­straat, de oneven nummers van drie tot en met vijf­tien, zijn los­ge­raakt in een of ander ste­den­bouw­­kun­dig plan. Misschien heeft een van de bewoners – dat moet dan wel Hans, van num­mer drie, geweest zijn – een protest aangetekend tegen sa­nering, en is de aanvraag nog niet in behandeling ge­no­men. Of wel­licht heeft hij de gemeente er zelfs van kunnen over­­tuigen dat de ogenschijnlijk bouwvallige rij een mo­nu­men­tale waarde heeft, vanwege de unieke details in de ge­vels. Inmiddels is de hele wijk gesloopt, maar een meter of twin­tig voor deze zeven zijn de bouw­machines ge­stopt. Als een losgezongen eiland schurken de scheve muren ar­moe­dig en net allemaal een beetje anders tegen elkaar aan. De stoep en een deel van de straat zijn er nog. Het ene eind is ver­­bon­den met de smalle hoofdweg die onder de spoortun­nel door naar het centrum leidt. Het andere loopt dood, komt nu uit op een braakliggend terrein, dat half af­ge­schermd is met hekken, waarvan er een paar al minstens een maand plat op de grond liggen. Aan de rand zijn ze be­gonnen met nieuwbouw. De hele dag door klinken hei­machines. Pas aan het eind van de middag, als het dreunen stopt, voel je tegelijk met de bevrijding een vermoeidheid over je heen komen.

 

Het zevende huis, dat net als het eerste aan één kant los­staat, is scheefgezakt. Als je vanaf de buitenkant naar het pand kijkt, kun je raden wat er gebeurt als je op zolder een knik­ker op de grond loslaat. Het maakt overigens niet uit wat er dan gebeurt. Geen van de huidige bewoners van de Ha­vendwarsstraat knikkert nog. Wat wel uitmaakt, is dat de wind vrij spel heeft op de hoek, en de kou niet meer uit het huis vertrekken wil.

 

In het zevende huis woont Lott

 

en

 

als je de moeder van een dood kind nog steeds een moeder kunt noemen, is Lott

 

nog steeds een moeder.



 


NOOIT, NOOIT HET KIND  | Het moet een fabricagefout zijn. De trein heeft nooit eerder zo­­veel geluid gemaakt. Ik wil mijn handen voor mijn oren doen, maar niemand doet dat. Het ziet er raar uit. Als iede­reen dat zou doen hier, zouden we als bezetenen langs el­kaar lopen, alsof we met z’n allen niet zijn afgestemd op de machines die we zelf hebben geproduceerd, treinen die meer geluid maken dan we kunnen verdragen, roltrappen die sneller gaan dan we kunnen bijhouden. Er is een film met Charlie Chaplin, waarin hij steeds sneller gaat be­we­gen aan de lopende band.

 

Modern Times. Precies dat, Charlie Chaplin, dat ben ik.

 

De tijden zijn nog veel moderner geworden, nu ook nog in kleur. Ik lijk de enige die er last van heeft. Het schuren van de jassen, de tiktiktikkende hakjes op het perron, het hoes­ten, fluisteren, neusophalen, de tassen, de koffers, de ver­schil­­lende stoffen, nuances in kleuren grijs, zwart, blauw, het kan niet goed zijn. Mijn oren en ogen liggen open als een wond, maar ik mag niet mijn handen om mijn oren doen, ik kan niet met gesloten ogen lopen. Dat is gek. Nie­mand doet dat. De mevrouw voor mij heeft krullend haar. On­­waarschijnlijk glanzend. Ze schudt haar hoofd, ik houd mijn adem in om niets te hoeven ruiken. De man naast me moet mij niet aanraken met zijn grote tas. Als hij me maar niet aanraakt. Ik doe een stap opzij, maar sta te dicht bij de rand van het perron. Daar moet ik niet zijn, dat mag niet. Ik mag niet van het perron vallen, niet springen, al is het ver­­leidelijk om een einde te maken aan de constante stroom waar­­in ik nog eens stapelgek ten onder ga. Alleen mamma zou me missen, zelfs Mahmood niet. Ik zou nie­­­mand meer tot last zijn met mijn dolgedraaide oren en ogen. De harde fluit snijdt mijn hoofd doormidden. Er moet iets gescheurd zijn. Mijn twee halve hoofden zakken opzij. Ik moet ze vasthouden, maar dat staat raar. Niemand houdt zijn hoofd vast, maar niemand heeft ook twee halve hoof­den. De rechterkant zakt steeds verder opzij, ik voel het, straks kunnen mensen bij mij naar binnen kijken. Ik had een muts moe­­­ten opzetten, maar niemand draagt een muts nu, met dit weer. Wel een hoed. Daar is een man met een hoed, nee, een vrouw, die aan de achterkant meer een man lijkt. Door het colbertje dat ze draagt misschien. Ik had niet goed ge­ke­­ken. Je ziet eigenlijk goed dat ze een vrouw is. De trein be­­gint te rijden. Ik kan hem aanraken, zo dichtbij sta ik. Nie­­­mand raakt een rijdende trein aan. Misschien helpt het als ik hem

 


 

zachtjes aanraak, dat ik mij dan kan verzoenen met de slang die sneller en sneller over het spoor glijdt. Ik moet spu­­­gen, ik ruik iets vies, vettigs, chemisch. Iemand ach­ter mij heeft iets in zijn handen. Hij vist er stukjes uit en propt die in zijn mond. Ik moet kokhalzen, houd in een reflex mijn hand voor mijn mond. Er staan nog te veel men­sen op het perron. Als die allemaal de volgende trein in moe­ten, sa­­men met mij, zijn er geen zitplaatsen meer, moet ik de he­­le reis staan, samengepropt in het kleine gangetje, met een beetje pech naast de wc, waar dan steeds iemand in moet en uitgaat, de smerige lucht die dan vrijkomt, tus­sen al­­le parfums, haarlak, deodorant en zweet. Opnieuw moet ik kokhalzen. Misschien had ik beter op mijn kamer kun­­nen blijven, maar ik kan niet meer terug. Dan moet ik weer in de bus en ik wil geen bussen meer die langzaam op­­trek­ken, zwenken, vertragen, stoppen, weer optrekken, mensen die zich half over me heen buigen, naast me op­staan om uit te stappen, gaan zitten, hun tas tegen mijn voeten zetten, hun jas tegen mijn jas.

 

Mahmoods dochtertje bevond zich op het verkeerde mo­ment, op de verkeerde plek.

 

Godzijdank komt er niemand naast me zitten. Toch zet ik mijn tas op mijn schoot. Ik wil niet de indruk wekken dat nie­­mand naast me mag zitten. Het is minder druk dan waar ik bang voor was. Er staan nog steeds veel mensen op het per­­ron, maar nu kijk ik naar hen vanaf de andere kant. Ik zit in een kooi. Daar moet ik niet aan denken, niet aan dat ik er niet meer uit kan als de trein gaat rijden. Er zijn nog meer lege stoelen. Ik doe mijn oortjes in, ook al kan ik de mu­ziek eigenlijk niet meer verdragen, het is beter dan al het andere nu. Ik moet bij mezelf terug zien te komen. Dat is wat ze steeds tegen mij zeggen. Mamma, Frederieke. Niet mezelf verliezen, maar mezelf zijn. Frederieke is drie we­ken weg. Ik heb geen idee hoe ik de tijd kan over­brug­gen.

 

Share by: