D i e t s k e G e e r l i n g s
‘Als ik vandaag een lafaard ben, zegt dat niets over mijn moed van morgen’
Bespreking van 'Op een andere planeet kunnen ze me redden' van Lieke Marsman
Als kind – dat ik overigens nog steeds ben – heb ik me altijd afgevraagd waarom we niet de hele dag door spreken over de dood, terwijl we toch weten dat het ineens afgelopen kan zijn en niemand weet wat er dan precies gebeurt. Inmiddels ben ik eraan gewend dat het niet gebruikelijk is om voortdurend overal de dood op tafel te leggen, maar daarmee onderdruk ik een natuurlijke neiging. In Op een andere planeet kunnen ze me redden schrijft Lieke Marsman over ramptoeristen die ‘aan de zijlijn van mijn ziekte staan te roepen dat ik zo sterk en dapper ben’. In zekere zin is een lezer van een boek altijd een toerist, namelijk iemand die reist naar een plek buiten zijn gebruikelijke omgeving. Echter, voor iemand die het liefst de dood overal op tafel legt, is het lezen van Marsmans boek juist eerder een vorm van thuiskomen, omdat zij vrijuit schrijft over de vergankelijkheid die we in wezen allemaal in ons dragen. Dat Marsman zich in een rampgebied bevindt, heeft vooral te maken met haar ongeneeslijke ziekte en de intensieve behandelingen die haar zeer waarschijnlijk niet kunnen redden. Maar zolang niemand weet wanneer de dood bij wie dan ook zal toeslaan, zijn Marsmans bespiegelingen aangenaam gezelschap voor wie zich wil verhouden tot de dood.
‘Dit boek bevat essays en dagboekfragmenten over de dood en over het leven [...],’ schrijft Marsman, het kan toch haast niet anders dan ironisch, want deze benaming is niet meer dan een keurig opgestapeld muurtje, waarachter je algauw in een afgrond kukelt, dwars door tijd en ruimte heen, precies zoals de gladde, fluorescerend roze kaft los om het zwarte binnenwerk hangt. Ze laat ons alle hoeken van het universum zien, grenzeloos dus, en alle orde die zij aanbrengt, is een schijnorde, broos en wankel, schitterend en tegelijkertijd huiveringwekkend dus.
Tijdens mijn reis door haar wereld van taal heb ik vaak ook aan de laatste bundel van Esther Jansma gedacht, We moeten ‘misschien’ blijven denken, die tegelijkertijd de eerste kan zijn, als je nog niet eerder wat van haar gelezen hebt. De tijd is lineair én cyclisch, in beide zit iets moois en iets onverteerbaars. Niet alleen aan het einde is er voor iedereen de dood, maar die dood is er eigenlijk al de hele tijd, want het ‘nu’ is onophoudelijk aan het sterven, het leven niet meer dan een aaneenschakeling van afscheid.
‘Bang ben ik nog wel voor alle momenten ervóór, waarop iedere handeling de laatste keer die handeling is. De laatste keer de supermarkt. De laatste keer bloedprikken. De laatste keer een gevulde koek. Alle boeken die je voorbij ziet komen waarvan je weet: die ga ik sowieso niet meer lezen. Die paniek valt vanaf daar als dominostenen het heden in.’
Deze paniek zet aan het denken. Natuurlijk begrijp ik wel wat Marsman bedoelt, maar in wezen is niet één handeling dezelfde en dus tegelijkertijd ook de laatste. Daar komt bij dat mensen die morgen verongelukken, zich nooit bewust zijn geweest van al die laatste keren. Gelukkig maar, wordt dan gezegd, maar zo rustgevend vind ik die gedachte niet. Je hebt nergens afscheid van kunnen nemen en niemand van jou. Wat ik maar zeggen wil: het is vooral het denken dat voor de paniek zorgt en ook datzelfde denken dat voor verlichting kan zorgen.
‘Wanneer ik verhalen lees van kinderen die zich een vorig leven kunnen herinneren voel ik een soort opluchting: ook als het me niet lukt in leven te blijven, kan ik misschien toch weer in leven komen.’
Het is of Marsman de essentie van leven en dood in haar boek geconcentreerd heeft als een aaneenschakeling van vastklampen en loslaten, zekerheid en onzekerheid, steeds in verschillende gedaanten. Zo schrijft ze over Wittgensteins minnares van David Markson, waarin de hoofdpersoon Kate de allerlaatste mens op aarde is en op een verlaten strand is gaan wonen. Haar hoofd is gevuld met allerlei feitjes over kunstenaars, schrijvers en musici, die ze een paar regels verder vaak weer in twijfel trekt. Het lijkt volstrekt nutteloos om te lezen, maar er gaat volgens Marsman gek genoeg een soort troost van uit. Je beseft dat Kate geen klankbord meer heeft omdat er geen mensen meer zijn met wie ze de feiten kan delen, je voelt de totale eenzaamheid en vergeefsheid, tot je je ineens realiseert dat jij als lezer het klankbord bent. Haar stem resoneert in jouw hoofd en wil misschien alleen maar zeggen dat zij er (nog) is. Dat Kate al die feiten herhaalt, is een teken van hoop, van ‘misschien luistert er nog iemand naar mij’, tegen beter weten in. De lezer voelt hoe hijzelf die hoop belichaamt.
Iets vergelijkbaars brengt Marsman zelf in haar boek tot stand bij de lezer. Hoe onnoemelijk eenzaam ze in haar afschuwelijke ziekteproces ook is, haar stem, waarin ze het universum aftast naar hoop – hoop op buitenaards leven, op een nieuw leven hier op aarde, op medicatie die wél aanslaat, op een leven na de dood en nog zo veel meer – resoneert in ieders hoofd als een voorzichtig ‘misschien’. Haar ‘unieke’ eenzaamheid is tegelijkertijd de existentiële eenzaamheid van ieder mens Als de lezer dan al ramptoerist is, dan is hij dat in elk geval ook in zijn eigen wereld, waar de dood zich net zo goed als onzekere factor ophoudt, ook al waant hij zich voor langere tijd gevrijwaard. Marsman is net zo menselijk en aards als ieder ander, en al haar vragen, bespiegelingen en gedachten, zijn voor ieder mens relevant.
Niet alleen relevant, ook hartverscheurend, omdat ze zelfs in proza poëzie schrijft over gruwelijkheden:
‘Maar je kunt een dijk die zijn eigen gaten dicht alleen doorbreken door hem op honderd plekken tegelijk te raken. Op zoek naar een panacee dat makkelijk te patenteren is heeft men het complexe karakter van tumoren niet altijd voldoende gehonoreerd.’
Vol overgave vuurt ze volkomen terecht haar door levenslust gestuwde woede af op farmaceuten die miljardenwinsten behalen, terwijl er geen geld is voor onderzoek naar zeldzame ziektes. Het is Godgeklaagd dat deze bedrijven hun verantwoordelijkheid niet nemen en zoveel mensen in de kou laten staan. Maar daarnaast neemt ze de lezer mee in een wervelende storm van filosofieën, mooie gedachten en regels uit de wereldliteratuur, bizarre onderzoeken naar buitenaards leven, dwars door de leegte van de wanhoop, via de grenzeloze fantasie en creativiteit van de menselijke geest naar een sprankje hoop dat hoe dan ook overblijft.
In het aanschijn van de dood toont Marsman hoe bizar het leven is en hoe je je ontiegelijk aan dit idiote leven kunt hechten, misschien vanwege die onophoudelijke stroom van denken die door ons levende zelf raast, of al was het maar vanwege die gevulde koek. En God, want waarom zou ik die hier niet aanroepen als niemand zeker weet of Hij bestaat, ik hoop met alles wat er in mij leeft, dat van over een afstand van miljoenen lichtjaren liever vandaag dan morgen een fluorescerend roze ruimteschip midden in ons kikkerlandje neerstrijkt met daarin een leger marsmannetjes – what’s in the name – dat natuurlijk niet onze voormalige Dichter des Vaderlands zal kapen, maar haar terstond met zijn buitenaardse kracht geneest en ook van die gruwelijke pijn en misselijkheid verlost, opdat zij boeken blijft schrijven, die wij kunnen lezen.
Dietske Geerlings
Lieke Marsman – Op een andere planeet kunnen ze me redden. Uitgeverij Pluim, 200 blz. € 24,99.
Klik op de afbeelding voor een download van het betreffende boek.
(Lukt het niet, stuur gerust een berichtje via het contactformulier. Dan stuur ik het bestand via de mail)