Blogopmaak

'Licht voor de ander die blijft'


Bespreking van 'Dat ijsberen eieren eten' van Margreet Schouwenaar

 

Zoals ‘lepelaars leren broeden in bomen’, schrijven wij ons verhaal, schrijft Margreet Schouwenaar in haar nieuwe bundel Dat ijsberen eieren eten. Alles verandert en valt misschien zelfs in het water, en niemand die dat had verwacht. Steeds zoekt de evolutie toekomst ‘in een onbestemd onderdak’. Het is een paradoxale variant op Prediker: ‘en altijd weer die verbazing dat alles verandert’. Die eeuwige verandering impliceert dat niets hetzelfde blijft, maar tegelijkertijd is het de verbazing daarover die steeds terugkomt. Ook in die constatering zelf schuilt deze paradox van verbazing en berusting. Schouwenaars poëzie leest zoals je deze eindeloze cyclus van het leven kunt ervaren: zij biedt troost als een rivierbedding waarin het water blijft stromen.

 

Die troost heeft in de eerste plaats te maken met het ritme van haar regels. Ze stromen en blijven stromen van de eerste tot de laatste regel en het eerste tot het laatste gedicht. Overal kun je even in verbazing stilstaan, maar de poëzie stroomt verder. Komt dat doordat zij zinnen laat eindigen midden in de regel, dan nieuwe zinnen begint, die je dan toch weer tot in de volgende regel wilt volgen en dan daarna de regel wilt uitlezen, zo per ongeluk in een nieuwe zin belandt die je dan toch ook weer wilt uitlezen, enzovoorts? Zo stroom je mee tot de laatste regel van elk gedicht en omdat het fijn voelt je zo mee te laten voeren, stap je onbevreesd het volgende gedicht in, tot je aan het eind van de bundel beseft dat lezen net als het leven is, van het een in het ander rollen:

 

Geen ziel gelooft in de dood, pas als de maaier zijn

zeis, dan pas. En je stamelt: het was, was niet mijn

schuld, bedoeling, verantwoording, het was. Zelfs in

die allerlaatste seconde kun je nog zeggen: ik nam,

deed niet wat nodig. Ik. De dood houdt het hierbij, net

als de natuur. Het water kolkt tegen de ramen, het

probleem

 

is dat je het niet meer hoort, niet meer ziet; er is

geen inzicht nodig. Alleen licht voor de ander die

blijft. Iemand die jong is, moed heeft, niets weet

van lood in voeten, het onnozel doodgaan, de

gruwel die rest. Iemand die een boom plant, de messen

niet wet en hoop zet op de bescherming van hen die

niet.

 

Het is verbazingwekkend hoezeer deze poëzie blijft stromen, zelfs in de stameling en in het moment van de dood. Juist dat is zo troostrijk, omdat er altijd iemand achterblijft die verder gaat en het (levens)licht meeneemt dat de ander zojuist heeft achtergelaten.

 

Als je zo een tijdje de stroming blijft volgen, drijven er prachtige regels langs, haast op zichzelf staande aforismen, zoals ‘Vandaag gehoord dat groeien op zekere leeftijd / buigen wordt, leren vergeten en snappen, weten.’ Je ziet als vanzelf een oudere gebogen en onzeker voorbij schuifelen. Een andere mooie zin – let ook op het haast dansende ritme aan het eind van de zin! – ‘Of de aarde blijft is de vraag, maar ze bloeit / als je zaait.’ Ze voegt de daad bij het woord, want daarna volgen de woorden: ‘Vrouwenmantel, Middaggoud, / Ridderspoor en wilde Akelei, net als de Damastbloem, de Korenbloem en de Salvia.’ In een mum van tijd heeft ze in taal een tuin gezaaid, vol kruiden. Dit gedicht eindigt met de losstaande regel ‘En een hart staat op breken.’ Daarin sluit ze aan bij alle natuuringangen die de wereldliteratuur rijk is en die eigenlijk nooit vervelen, steeds opnieuw ontroeren, omdat die eeuwige cyclus van de natuur zo kan raken aan of juist botsen met onze eigen vergankelijkheid. Die vergankelijkheid treft ook de poëzie:

 

[...] Wat wordt niet gewist? De kraaien snoeven al, geluk wordt

dun, verdriet vuilwit en ook gedichten blijven

niet.

 

De stroom van haar poëzie sleurt ook vragen mee die schuren langs de rand: wie het grijs betaalt, hoeveel er nooit in aanmerking komen voor enig ambt, wie er dan plaats maakt, ‘breed in bestaan’ zit. De vragen zijn voorbij, lang voordat je een antwoord had kunnen bedenken. Van het algemeen beschouwende spoel je aan in een hoogstpersoonlijk verdriet:

 

Er is een kind gestorven, een van de mijne.

Ik kende haar niet. Zij ontging mij; trachtte te

lang gezien te worden, gehoord, boog mee

als graan dat ondanks het moment stond in

een ritselende eeuwigheid van heb-ik-jou-daar.

 

Je voelt het missen in ‘Haar / afwezigheid hield tred met de bladeren van bomen // waarin zij zonder ophef nog even ruiste.’ Hier lijkt het missen weer samen te vallen met de natuurlijke cyclus van de bladeren van bomen.

 

De bundel sluit prachtig met de verwachting dat de laatste zin zal komen, niet alleen van de bundel. Juist omdat ‘zin’ zo dubbelzinnig is, voel je hoe ieder mens niet alleen ooit een laatste zin zal uitspreken, maar ook aan de zin van het leven zal ontsnappen. Dat is verdrietig, maar het mooie van een bundel gedichten is dat je deze weer kunt openen en er opnieuw in kunt beginnen.

 

Dietske Geerlings

 

Margreet Schouwenaar – Dat ijsberen eieren eten. Uitgeverij P, Leuven. 64 blz. € 18,00.


Share by: