Blogopmaak

'Tuurt het hart de diepte in'


Bespreking van 'Leer van de orchidee' van Jan Lauwereyns

 

Wie in een bundel van Jan Lauwereyns gaat bladeren, stokt algauw in de lettergreep, verslikt zich, kauwt, slikt en vraagt zich ontzet af wat hij zojuist heeft weggewerkt. Het is daarom niet zo vreemd als je zijn nieuwe bundel, Leer van de orchidee, een keuze uit het werk van 1991 tot 2024, behoedzaam nadert. Voorzichtig peil je de titel en het huiveren begint al: het kan nooit alleen die gracieuze bloem zijn. Het zal toch niet een orgie? Of toch maar een idee? En hoe interpreteer je dat ‘leer’? Is het gebiedende wijs, de wetenschap, of de dode huid? Eigenlijk heb je al een vermoeden: het is alles wat je kunt bedenken, plus dat duistere vermoeden, plus de onzekerheid dat je voortdurend misgrijpt. Welkom in een hachelijk avontuur!

 

Natuurlijk denk je heel even dat je te ver bent doorgeslagen in associëren met ‘orgie’ en ‘idee’, maar dat duurt niet lang, want in het eerste motto zegt Eros, de bitterzoete, al: ‘Neem de schitteringen van Apollo maar met een korreltje zout. Wat je ziet is nooit wat je krijgt. Ook kun je het nergens kopen of stelen’. Apollo is juist de vertegenwoordiger van de rationele schoonheid, ook van de poëzie trouwens, en tegenover hem staat de losbandige Dionysos. In deze bloem zitten dan in elk geval twee uitersten verscholen en wat kun je daarvan leren? Je zult alles met een korreltje zout moeten nemen en dat begint dus al bij de titel.

 

Lauwereyns doceert cognitieve wetenschap en bio-ethiek aan de Universiteit van Kyushu (Japan) en die sporen zie je terug in zijn taalbouwsels. Soms vraag je je af of je wel een gedicht aan het lezen bent. Dan lijkt het eerder of hij met een scalpel de taal aan het ontleden is en draait je maag zich bijna om van de betekenis die vrijkomt:

 

vraag teek uitroepluis en dubbelepier de ware grammaticale leek

heimlijk verliefd op die wervelloze slaafjes van haar herinnert zich een

 

welgemikte komma etterlijke regels lang [ ] zinsont

leding was een ecuadoriaanse python die drugsdealers met ma

 

chinegeweer en al verteert verteren kogels die als gedachten

niemand schieten konden zeker wie taalkundig was [ ] niet [ ]

 

lijk de knippering vuurvlieg na vuurvlieg achter het gordijn van onze

oogleden in geval we moe genoeg zijn om de afgrond in te

 

Het is heel begrijpelijk als lezers hier massaal afhaken, maar poëzieliefhebbers kenmerken zich nu juist vaak door geduld en volharding, precies de eigenschappen die je nodig hebt om de orchidee in haar lange rustperiode te verzorgen, zonder dat je verzekerd bent van een nieuwe bloei.

 

En wie ben ik om te zeggen dat deze volharding beloond wordt, als de dichter zelf al zegt dat wat je ziet, nooit is wat je krijgt? Lauwereyns poëzie lezen blijft een hachelijke onderneming. Je weet niet wat je gaat tegenkomen, omdat je tussen de brokstukken van taal ook op je eigen verbeelding moet vertrouwen, maar op het moment dat je denkt dat je daarin houvast hebt gevonden, kukel je bij de volgende regel een ravijn van onzekerheid in. Je waagt je leven, want je loopt het risico in troosteloze taallandschappen te verdwalen: ‘Liefde is slechts één stap verwijderd van waanzin. Volgens Eros een orgasme ook van plassen.’ Uitersten zijn paradoxaal genoeg moeilijk van elkaar te onderscheiden: ‘een roos, een slagveld’.

 

Leer van de orchidee heeft soms de schijn van wetenschappelijkheid. Zo kom je een minutieus verslag tegen, tot op de minuut nauwkeurig, vanuit het perspectief van de Aziatische tijgermug. Krankzinnig ja, maar tegelijkertijd zet het je aan het denken over de drang tot vooruitgang en waarheidsvinding, terwijl de mensheid zich ondertussen in de afgrond stort. Waar zijn we in godsnaam mee bezig? In de afdeling ‘Het onvermeeuwbare’ beland je in iets wat op de villanelle lijkt (een dichtvorm uit de renaissance), maar dan in een kortere versie, die ook iets mathematisch heeft. De herhaling van vervreemdende, haast absurdistische regels, zoals ‘Haai ging erdoor of haai van toeten wist’ doen denken aan het absurdisme van het leven zelf: hoe ver zijn wij inmiddels niet afgedreven van onze oorsprong? Waar brengen wij onze dagen mee door? Als mantra’s echoën de regels in je hoofd, maar brengen eerder verontrusting dan rust.

 

Toch is er iets in Lauwereyns bundel waar je op kunt blindvaren en dat is het plezier in taal dat van iedere bladzijde af spat. Het plezier betreft de taal in haar volle omvang: van betekenissen en associaties die steeds verder van het woord af uitwaaieren tot terug naar de kern: de lettergreep, de letter, de klank. En daar schuilt ook precies het gevaar: taal is een abstract bouwsel. Als je een woord met een rijkdom aan betekenissen ontleedt, dan houd je op een gegeven moment tussen je vingers alleen nog losse letters, die door het uit elkaar vallen langzamerhand op iets anders beginnen te lijken. De betekenissen druipen eraf, vloeien in elkaar over of lossen op. Wat had je anders verwacht? We blijven hopen op het paradijs, maar:

 

Tuurt het hart de diepte in,

als wolken drijven de hersenen.

 

Liever wentelen wij ons in de deken,

keren de rug naar het uurwerk

 

van waarheid, de verzinning

in het ravijn, de zuurstoffles,

 

dan de gordijnen te moeten openen

op de nattigheid van het weer.

 

 

Dietske Geerlings

 

Jan Lauwereyns – Leer van de orchidee. Uitgeverij Koppernik, Amsterdam. 342 blz. € 32,50.


Share by: