D i e t s k e G e e r l i n g s
Sommige dichtbundels zijn krachtig door de samenhang tussen de gedichten. Bij de vierde bundel van Lieve Desmet, In de wind staan, is eerder het tegenovergestelde het geval: ieder gedicht schept zo’n krachtige eigen wereld, dat het volstrekt op zichzelf kan staan. Dat de gedichten in één bundel beland zijn, zal dan vooral te maken hebben met het feit dat ze uit één hand komen, namelijk uit die van een veelzijdig dichter.
Op het omslag prijkt de gewassen inkttekening ‘De wereldvoedster’ van Roland De Winter. Het lijkt een nette dame die, verscholen onder haar brede hoed, aan de rand van de vijver de eendjes voert. Door de titel lijkt de afbeelding een knipoog naar de mensheid. Als wij de eendjes zijn, wie is dan die nette dame die ons voedt? Alsof de wereld nog zo overzichtelijk is, dat er een wereldvoedster mogelijk is. De tekening laat nadenken over hoe het dan wel zit met het voeden van de wereld en is als voorkant van een veelzijdige dichtbundel ook mooi gekozen, want de gedichten zijn voedsel voor de geest: je voelt ‘je geroepen lucht te koelen / de verstopte ader open te schrijven, / de spier van de ziel te raken’, schrijft Desmet in het gedicht dat naar deze tekening verwijst. Ook daar is de ironie voelbaar in het slot: ‘Vrouwelijke paljas met je luttele woorden / een plié in de benen / met je klein soortelijk gewicht.’
Desmet laat zich door diverse kunstenaars inspireren. Hun namen staan boven diverse gedichten: behalve De Winter, ook Xavier Dumont, Hans Koenen, Freddy Simba, Case Maclain en nog wat anderen. Als je op zoek gaat naar hun kunstwerken, kom je in heel uiteenlopende kunstwerelden terecht, die niet of nauwelijks met elkaar te verbinden zijn. Dat doet beseffen hoe ieder mens zijn eigen specifieke boekenkast en kunstcollectie in zijn hoofd heeft verzameld en daaruit inspiratie put. De betreffende gedichten, die ook zonder de zoektocht al prachtig zijn, krijgen door de verwijzing naar het kunstwerk een bijzondere gelaagdheid:
Erewoord
Bij het werk ‘Meeting’ van beeldend kunstenaar Hans Koenen
Naast jou wil ik man zijn dan weer meisje.
Zullen we vloeien, draaien als de aarde,
zal ik je koesteren als de jonge Pan.
Als jij het licht vangt
lees ik ruggelings je kwetsuren,
struin je schaduw af.
Laat lucht onvermoeid een liedje fluiten
door onze hoofden, terwijl het ene westwaarts keert
het ander wakker speurt voorbij de rand
houden we onze gedachten
buigzaam als stengels,
het groene blad verbonden met wat valt.
Zolang deze zingzang ons inspint,
frisse winden ons bestuiven,
hernemen we onze belofte.
Prachtig hoe in de eerste regels beschreven wordt hoe je als mens tegenover een ander zowel het verlangen kunt voelen man te zijn als meisje. Daarin ligt zoveel besloten: leeftijd, geslacht, en door het ‘Zullen we vloeien’ voel je ook nog eens alle nuances daartussen. Er spreekt zoveel liefde uit, ook voor alle kwetsuren en schaduwkanten van de ander. Het is of heel de wereld door ons heen blaast en wij in onszelf daarvoor ruimte hebben. De verbondenheid met de natuur klinkt erin door. Zoek je het kunstwerk op, dan zie je een heel open sculptuur waarin twee gezichten herkenbaar zijn, als je daarop focust, maar als je op de structuur van de bladeren let, zijn de gezichten tegelijkertijd ook bladeren. De wind kan erdoor blazen en de toeschouwer kan op veel verschillende manieren naar het kunstwerk kijken. Met de sculptuur in je achterhoofd zie je dat het gedicht ook het beeld beschrijft en vult met betekenis.
Er zijn heel intieme gedichten in de bundel te vinden die lijken te verwijzen naar een heel persoonlijke herinnering, gevat in bijzonder ritmische en klankrijke regels, zoals in ‘Op de schommel’ de herinnering aan de schommel die aan een grote eik hing: ‘Met de eik is de hele tuin verdwenen, / de brede omarming die over schuttingen schaduw wierp.’ Opvallend is dat juist in de beschrijving van wat verdwenen is, voor de lezer deze tuin in de volle breedte opdoemt. Je ziet hoe grote bomen hun schaduwen werpen in de tuinen ernaast, terwijl ze niet eens expliciet genoemd zijn. Ondanks dat het hier wellicht een heel persoonlijke herinnering betreft, is het gedicht toch universeel, omdat het bij de lezer vergelijkbare herinneringen oproept.
Naast heel persoonlijke gedichten, zijn er ook gelegenheidsgedichten te vinden: ‘Bij de Verklaring van 30 november van Hans Claus’, of ‘Bij de opening van het Honkhuis, een huis voor jongeren met een verstandelijke beperking’. Bovendien zijn er enkele gedichten opgenomen die voor een Eenzame Uitvaart zijn geschreven, waarin deze eenzaamheid ook maximaal voelbaar is: ‘Daar loopt straks nog wel een kat / bij nacht over de strooiweide.’ Het is duidelijk hoezeer Desmets poëzie aan het wel en wee in de samenleving raakt. Er klinkt ook heimwee naar tijden van weleer in door: ‘Opnieuw te beginnen met een aftelrijm / van hebzucht terug naar de eerste honger’.
Desmets bundel is een verzameling miniatuurwerelden, waarin je langere tijd kunt doorbrengen. Soms verdwaal je voor even in een zoektocht naar andere kunstenaars, maar na verloop van tijd keer je weer terug omdat je verlangt naar het moment waaruit de zoektocht was voortgekomen, het moment van ‘in de wind staan’.
Dietske Geerlings
Lieve Desmet – In de wind staan. Uitgeverij P, Leuven. 64 blz. € 18,00.
Klik op de afbeelding voor een download van het betreffende boek.
(Lukt het niet, stuur gerust een berichtje via het contactformulier. Dan stuur ik het bestand via de mail)